Home > Instellingen > Instellingen bewerken > Communicatie-instellingen
Communicatie-instellingen
Gebruik Communicatie-instellingen om de communicatiemethode van het apparaat op te geven of te wijzigen.
U kunt de communicatie-instellingen voor één apparaat wijzigen en deze instellingen vervolgens toepassen op meerdere apparaten.
Bedraad LAN/Draadloos LAN Tabbladen
- Actuele status
Geeft de actuele status van de volgende items weer:
- Status bedraad LAN
- Status draadloos LAN
- Kanaal
- Bedraad MAC-adres
- Signaalsterkte
- Lijst IPv6-adressen
- Algemeen
- Netwerkinstellingen bij inschakelen
Geef de netwerkinstellingen op bij het inschakelen (voor modellen met zowel een bekabelde als draadloze LAN).
- Bedraad LAN inschakelen en Wi-Fi (infrastructuurmodus) uitschakelen bij gebruik van het laadstation.
Deze instelling overschrijft alle machineconfiguraties die op het apparaat zijn ingesteld.
- Netwerkmodus
Geef de netwerkmodusoptie op.
- Draadloze instellingen
- SSID (netwerknaam)
Klik op Zoeken om de beschikbare SSID’s weer te geven in een apart dialoogvenster.
- Verificatiemethode/Interne verificatiemethode/Versleutelingsmodus
Onderstaande tabel bevat de ondersteunde versleutelingsmodi voor de verificatiemethoden.
Verificatiemethode Versleutelingsmodus Open systeem
Geen / WEP
Gedeelde sleutel
WEP
WPA3-SAE
AES
WPA/WPA2-PSK/WPA3-SAE
TKIP+AES / AES
EAP-FAST/NONE
TKIP+AES / AES
EAP-FAST/MS-CHAPv2
TKIP+AES / AES
EAP-FAST/GTC
TKIP+AES / AES
PEAP/MS-CHAPv2
TKIP+AES / AES
PEAP/GTC
TKIP+AES / AES
EAP-TTLS/CHAP
TKIP+AES / AES
EAP-TTLS/MS-CHAP
TKIP+AES / AES
EAP-TTLS/MS-CHAPv2
TKIP+AES / AES
EAP-TTLS/PAP
TKIP+AES / AES
EAP-TLS
TKIP+AES / AES
Beveiligingsinstellingen op een hoger niveau opgeven: als de certificaatverificatie moet worden uitgevoerd met de verificatiemethode EAP-FAST, PEAP, EAP-TTLS of EAP-TLS kan het certificaat niet worden opgegeven met BRConfiguration Tool. Geef, nadat het apparaat is geconfigureerd voor het netwerk, het certificaat op door het apparaat te openen vanuit een webbrowser. De installatie van het verificatiecertificaat kan ook worden uitgevoerd via het tabblad Beveiliging van BRConfiguration Tool: - WEP-sleutel
U kunt alleen een instelling opgeven als u WEP hebt geselecteerd als versleutelingsmodus.
- Passphrase
U kunt alleen een instelling opgeven als u WPA/WPA2-PSK/WPA3-SAE hebt geselecteerd als verificatiemethode.
- Gebruikers-ID/Wachtwoord
U kunt alleen instellingen opgeven als u EAP-FAST, PEAP, EAP-TTLS of EAP-TLS hebt geselecteerd als verificatiemethode. Met EAP-TLS hoeft u geen wachtwoord te registreren.
- Clientcertificaat
Wanneer EAP-TLS is geselecteerd, moet een clientcertificaat worden geregistreerd. Maak vanuit een webbrowser verbinding met het apparaat en selecteer het certificaat dat u wilt registreren.
- Verificatie servercertificaat
Selecteer de optie voor verificatie van het servercertificaat.
- Server-ID
U kunt de server-ID alleen invoeren als Verificatie servercertificaat is ingesteld op Server-ID.
- TCP/IP
- Opstartmethode
Selecteer de optie AUTO, BOOTP, DHCP, RARP of STATIC.
- IP-adres/Naam knooppunt/Subnetmasker/Gateway
Geef de verschillende netwerkinstellingen op. U kunt deze instellingen alleen opgeven als het IP-adres is ingesteld op STATIC.
- Apipa inschakelen
Schakelt APIPA in of uit.
- Geavanceerde instellingen
- Boot-pogingen
Geef op hoe vaak het apparaat tijdens het opstarten probeert de netwerkinstellingen op te halen met behulp van de geselecteerde opstartmethode.
- Time-out TCP
Geef de wachttijd voor het TCP-antwoord op voordat de time-out optreedt.
- RARP Boot-instelling: Geen subnetmasker
Geef de RARP-opstartinstelling op. Wanneer deze optie is ingeschakeld, wordt er geen subnetmasker gebruikt tijdens het verkrijgen van IP-adressen via RARP.
- RARP Boot-instelling: Geen gateway
Geef de RARP-opstartinstelling op. Wanneer deze optie is ingeschakeld, wordt er geen gateway-adres gebruikt tijdens het verkrijgen van IP-adressen via RARP.
- DNS-servermethode
Selecteer de optie AUTO of STATIC.
- IP-adres primaire DNS-server/IP-adres secundaire DNS-server
U kunt deze instellingen alleen opgeven als de DNS-server is ingesteld op STATIC.
- Time-out gateway
Geef de wachttijd voor de gatewayrespons op voordat de time-out optreedt.
- IPv6
- IPv6-gebruik
Maakt IPv6-communicatie mogelijk.
- IPv6-adres prioriteren
Maakt prioritering van IPv6 boven IPv4 mogelijk.
- Statisch IPv6-adres
Geef een permanent IPv6-adres op.
- Dit adres activeren
Het opgegeven statische IPv6-adres inschakelen.
- IP-adres primaire DNS-server/IP-adres secundaire DNS-server
Geef de IPv6-adressen van de DNS-servers op.
- Authenticatie 802.1x
De IEEE 802.1x-verificatie configureren.
- Status 802.1x vast
IEEE 802.1x-verificatie in- of uitschakelen voor het bedrade netwerk.
- Verificatiemethode
Selecteer de verificatiemethode.
- Interne verificatiemethode
Selecteer de interne verificatiemethode.
- Gebruikers-ID/Wachtwoord
U kunt de instellingen alleen opgeven als u EAP-MD5, EAP-FAST, PEAP, EAP-TTLS of EAP-TLS hebt geselecteerd als verificatiemethode. Met EAP-TLS hoeft u geen wachtwoord te registreren.
- Clientcertificaat
Wanneer EAP-TLS is geselecteerd, moet een clientcertificaat worden geregistreerd. Maak vanuit een webbrowser verbinding met het apparaat en selecteer het certificaat dat u wilt registreren.
- Verificatie servercertificaat
Selecteer de optie voor verificatie van het servercertificaat.
- Server-ID
U kunt de server-ID alleen invoeren als Verificatie servercertificaat is ingesteld op Server-ID.
Tabblad Wireless Direct
- Actuele status
Geeft de actuele status van de volgende items weer:
- Status Wireless Direct
- Apparaatnaam
- IP-adres
- Verbonden clients
- Signaalsterkte
- Instellingen Wireless Direct
- Netwerkinstellingen bij inschakelen
Geef de netwerkinstellingen op bij het inschakelen (voor modellen met zowel een bekabelde als draadloze LAN).
- SSID/Netwerksleutel genereren
Selecteer de optie AUTO of STATIC.
- SSID (netwerknaam)/Netwerksleutel
Geef de SSID (max. 25 ASCII-tekens) en de netwerksleutel (max. 63 tekens) op die u in de modus WirelessDirect wilt gebruiken.

- De standaard-SSID en het standaardwachtwoord zijn:
- SSID: "DIRECT-(laatste 5 cijfers van het serienummer)_(uw modelnaam)"
- Wachtwoord: ********
waar ******** overeen komt met de acht cijfers van het Wireless Direct-wachtwoord, dat op het label op de onderzijde of binnenin het apparaat is aangegeven.
- Kanaal
Geef het kanaal op dat voor de modus WirelessDirect moet worden gebruikt.
Tabblad Bluetooth
- Actuele status
Geeft de actuele status van de volgende items weer:
- Bluetooth-adres
- Basis
- Bluetooth bij inschakelen
Geef de Bluetooth-instellingen op bij het inschakelen.
- Apparaatnaam
U kunt de naam van het apparaat invoeren.
- Bluetooth-modus
Selecteer beheermodus als Bluetooth wordt ingeschakeld.
- Klassiek
- Zichtbaar voor andere apparaten
Hier kunt u opgeven of het apparaat mag worden gedetecteerd door andere Bluetooth-apparaten.
- PIN-code
Voer de PIN-code in.
- Voor de koppeling is bevestiging op de printer vereist
Als dit is ingeschakeld in de Bluetooth-modus Klassiek, moet er extra op apparaatknoppen worden gedrukt tijdens het koppelen met apparaten die Bluetooth 2.1 of hoger gebruiken.
- Automatisch opnieuw koppelen
Geef aan of er automatisch verbinding moet worden gemaakt met een Apple-apparaat (iPad, iPhone of iPod touch) waarmee eerder verbinding is gemaakt.
- Laag energieverbruik
- Modus minimum-beveiliging
Selecteer het minimum-beveiligingsniveau bij gebruik van de modus Alleen Laag energieverbruik.
- Voor de koppeling is bevestiging op de printer vereist
Als dit is ingeschakeld in de modus Alleen Laag energieverbruik, moet er extra op apparaatknoppen worden gedrukt tijdens het koppelen met apparaten die compatibel zijn met Laag energieverbruik.
Tabblad Protocol
- AirPrint
- AirPrint
AirPrint-functionaliteit in- of uitschakelen. Geef indien nodig de halftoonmethode op en voer de breedtegraad, lengtegraad en apparaatnaam in voor apparaatidentificatie.
- Breedte/Lengte
Geef de breedtegraad- en lengtegraadcoördinaten van de fysieke locatie van het apparaat op.
- Halftoon
Selecteer de halftoonmethode.
- Printernaam
U kunt de naam van het apparaat invoeren.
- Proxy
- Adres van proxyserver
Typ het adres van de proxy-server.
- Poort:
Geef het nummer op van de poort die wordt gebruikt om toegang te krijgen tot de proxy-server.
- Gebruikersnaam:
Geef een gebruikersnaam op die gemachtigd is om zich aan te melden bij de proxy-server.
- Wachtwoord:
Voer in het veld Gebruikersnaam: het wachtwoord in dat bij de opgegeven gebruikersnaam hoort.
- SNMP
- SNMP v1/v2c modus-instellingen
Geef de SNMP-modus op die voor apparaatcommunicatie wordt gebruikt.
- Ophalen:
Typ de communitynaam die wordt gebruikt voor SNMP Get-bewerkingen.
- Instellen:
Typ de communitynaam die wordt gebruikt voor SNMP Set-bewerkingen.
- Gebruikersnaam:
Typ de gebruikersnaam die wordt gebruikt voor SNMPv3-verificatie.
- Verificatiemethode
Geef het authenticatieprotocol op dat wordt gebruikt voor SNMPv3-communicatie.
- Verificatiewachtwoord:
Typ het wachtwoord dat wordt gebruikt voor SNMPv3-verificatie.
- Privacywachtwoord:
Typ het wachtwoord dat wordt gebruikt om SNMPv3-communicatie te versleutelen.
- Contextnaam:
Typ de SNMPv3-contextnaam die wordt gebruikt voor toegangscontrole.
- SNTP
- Synchronisatiestatus
Toont de meest recente synchronisatiestatus.
- SNTP-servermethode
Selecteer de optie AUTO of STATIC.
- Primair SNTP-serveradres/Secundair SNTP-serveradres
Typ het serveradres (maximaal 255 tekens).
Het adres van de secundaire SNTP-server wordt gebruikt als een back-up voor het adres van de primaire SNTP-server. Als de primaire server niet beschikbaar is, zal het apparaat contact maken met de secundaire SNTP-server.
- Primaire SNTP-serverpoort/Secundaire SNTP-serverpoort
Typ hier het poortnummer (1 tot 65 535).
De secundaire SNTP-serverpoort wordt gebruikt als back-up voor de primaire SNTP-serverpoort Als de primaire poort niet beschikbaar is, zal het apparaat contact maken met de secundaire SNTP-poort.
- Synchronisatie-intervallen
Typ een waarde voor het aantal uren waarna de server opnieuw een synchronisatie moet uitvoeren (1 tot 24 uur).
- Webdiensten
- Webdiensten
Schakel webservices die worden gebruikt voor apparaatcommunicatie en externe toegang in of uit.
- Naam webdiensten
Geef de apparaatnaam op die wordt gebruikt voor identificatie in webservices.
- Overig
- Beheer via een webbrowser (Webserver)
Schakel de ingebouwde webserver voor apparaatbeheer via een browser in of uit.
- LPD
Schakel het LPD-protocol voor netwerkprinten in of uit.
- Raw port
Schakel het Raw-protocol voor direct netwerkprinten via een opgegeven poort in of uit.
- IPP
Schakel IPP voor afdrukken op afstand in of uit.
- FTP-server
Schakel FTP-server voor bestandsoverdracht in of uit.
- FTP-client
Schakel FTP-client om bestanden naar een FTP-server te verzenden in of uit.
- TFTP
Schakel TFTP voor eenvoudige bestandsoverdrachten in of uit.
- mDNS
Schakel mDNS voor apparaatdetectie op lokale netwerken in of uit.
- LLMNR
Schakel LLMNR voor naamresolutie in lokale netwerken in of uit.
Tabblad Beveiliging
- Certificaat autoriteiten
Geeft een lijst weer met certificaten die zijn geïmporteerd van certificeringsinstanties (CA’s).
Importeert nieuwe certificaten.
Verwijdert geselecteerde certificaten.
- Clientcertificaten
Geeft een lijst weer met geïmporteerde clientcertificaten.
Importeert nieuwe certificaten en persoonlijke sleutels. Als het bestand versleuteld is, moet u het wachtwoord invoeren.
Verwijdert geselecteerde certificaten.



