Zoeken

Home > Instellingen > Instellingen bewerken > Apparaatinstellingen

Apparaatinstellingen

Gebruik Apparaatinstellingen om apparaatinstellingen op te geven of te wijzigen.

U kunt de apparaatinstellingen voor één apparaat wijzigen en deze instellingen vervolgens toepassen op meerdere apparaten. Bij het afdrukken vanuit een toepassing op de computer kunt u via het apparaatstuurprogramma een aantal afdrukinstellingen opgeven; als u echter de tool Apparaatinstellingen gebruikt, kunt u meer geavanceerde instellingen opgeven. Als u het venster Apparaatinstellingen opent, worden de huidige instellingen van het apparaat opgehaald en weergegeven. Als de huidige instellingen niet kunnen worden opgehaald, worden de vorige instellingen weergegeven. Als de huidige instellingen niet kunnen worden opgehaald en de vorige instellingen niet kunnen worden weergegeven, worden de fabrieksinstellingen van het apparaat weergegeven.

Tabblad Basis

  • Basis
    • Contactpersoon

      U kunt de contactgegevens van het apparaat invoeren (maximaal 255 tekens).

    • Locatie

      U kunt de locatiegegevens van het apparaat invoeren (maximaal 255 tekens).

  • Instellingen voor in- en uitschakelen
    • Automatisch inschakelen

      Geef aan of het apparaat automatisch moet worden ingeschakeld als het netsnoer in een stopcontact wordt gestoken.

    • Automatische slaapstand

      De tijdsduur voordat het apparaat automatisch in de slaapstand wordt gezet.

      image
      • Het apparaat gaat in de volgende gevallen automatisch in de slaapstand als de opgegeven tijd is verstreken.
        • Het apparaat ontvangt geen gegevens.
        • Er is geen LAN-kabel aangesloten. (Voor bedrade netwerken)
        • In stand-bymodus of sjabloonselectiemodus.
        • Als er geen apparaat op de USB-poort is aangesloten.
        • Als er geen communicatie plaatsvindt via de seriële poort.
      • De slaapstand wordt geannuleerd als de volgende handelingen worden uitgevoerd:
        • Er is op een van de knoppen van het apparaat gedrukt.
        • De klep van het rolcompartiment is open of dicht.
        • Het apparaat ontvangt gegevens. Behalve wanneer gegevens worden ontvangen via een seriële poort.
        • Het apparaat ontvangt gegevens.
        • De USB-kabel is verwijderd en vervolgens opnieuw aangesloten.
    • Automatisch uitschakelen

      De duur van inactiviteit voordat het apparaat automatisch wordt uitgeschakeld als deze op een stopcontact is aangesloten.

      image
      • Het apparaat gaat in de volgende gevallen automatisch naar de modus uitschakelen als de opgegeven tijd is verstreken.
        • Het apparaat ontvangt geen gegevens.
        • Er is geen LAN-kabel aangesloten. (Voor bedrade netwerken)
        • In stand-bymodus of sjabloonselectiemodus.
        • Als er geen apparaat op de USB-poort is aangesloten.
        • Als er geen communicatie plaatsvindt via de seriële poort.
      • De printer wordt weer ingeschakeld als de volgende handelingen worden uitgevoerd:
        • Er is op een van de knoppen van het apparaat gedrukt.
        • De klep van het rolcompartiment is open of dicht.
        • Het apparaat ontvangt gegevens. Behalve wanneer gegevens worden ontvangen via een seriële poort.
        • Het apparaat ontvangt gegevens.
        • De USB-kabel is verwijderd en vervolgens opnieuw aangesloten.
    • Niveau batterijlading

      Geef het maximale oplaadniveau op.

      image
      Voor een lange levensduur van de oplaadbare li-ionbatterij kiest u 80 %. Hoewel het aantal afdruktaken dat kan worden afgedrukt voordat u opnieuw moet opladen lager is als u 80 % selecteert, gaat de oplaadbare li-ionbatterij wel langer mee.
  • Afdrukinstellingen
    • Opdrachtmodus

      Het type opdrachtmodus selecteren.

    • Tekstrichting

      De afdrukstand selecteren.

    • Afdruksnelheid

      De afdruksnelheid van het apparaat selecteren.

      image
      • Als u de afdruksnelheid verhoogt, kunnen de resultaten lichter worden.
      • Als de barcode op het afgedrukte label moeilijk leesbaar is, kunt u een lagere afdruksnelheid kiezen.
    • Afdrukdichtheid

      De afdrukdichtheid van het apparaat wijzigen.

      Het wijzigen van de instelling Energieverbruik in het menu Instelling papierformaat kan de afdrukdichtheid verder verhogen. Voor meer informatie imageimage Gerelateerde onderwerpen: Instelling papierformaat

    • Voorste rand papier uitlijnen als de klep is gesloten

      Geef aan of het papier al dan niet automatisch moet worden doorgevoerd als de klep wordt gesloten.

    • Automatisch snijden

      De afsnijmethode instellen als er meerdere labels worden afgedrukt.

    • Per vel snijden

      Hiermee geeft u aan hoeveel labels er moeten worden afgedrukt voordat ze worden gesneden wanneer "Automatisch snijden" is ingesteld op "Automatisch snijden" of "Automatisch snijden en snijden aan het einde" (maximaal 99 labels).

    • Uitgangsstand

      De uitvoerlocatie van de media selecteren.

    • Automatische snelheidsinstelling

      De afdruksnelheid wordt automatisch ingesteld en er wordt afgedrukt met de optimale afdrukdichtheid.

Tabblad Geavanceerd

  • Toetsenfuncties
    • Functie toets Doorvoeren

      De bewerking selecteren die moet worden uitgevoerd als op image wordt gedrukt. Als Programma-instellingen is geselecteerd, klikt u op Bladeren en selecteert u het opdrachtbestand.

    • Functionkey-functie

      De bewerking selecteren die moet worden uitgevoerd als op image wordt gedrukt. Als Programma-instellingen is geselecteerd, klikt u op Bladeren en selecteert u het opdrachtbestand.

      Als de snijeenheid is geplaatst, kunt u de Functietoets gebruiken om handmatig afsnijden in te stellen.

    • Belangrijkste menufuncties

      De bewerking selecteren die moet worden uitgevoerd als op de knop Menu / image (Selecteren) wordt gedrukt. Als Programma-instellingen is geselecteerd, klikt u op Bladeren en selecteert u het opdrachtbestand.

  • Pieper
    • Volume

      Het volume van de waarschuwingstoon selecteren.

  • Logbestand afdrukken
    • Printerlogboek opslaan

      Geef aan of het apparaatlogboek al dan niet moet worden opgeslagen.

  • Informatierapport afdrukken
    • Inhoud

      Geef aan welke gegevens moeten worden opgenomen in het informatierapport.

  • Overig
    • Afdrukinstellingen JPEG

      Selecteer de beeldverwerkingsmethode voor het afdrukken van JPEG-afbeeldingen.

    • Afdrukgegevens na afdrukken

      Geef aan of de afdrukgegevens na het afdrukken moeten worden gewist.

    • Linerless

      Ondersteuning voor Linerless rollen inschakelen.

Tabblad Positie/sensor afdrukken

Als u gebruikmaakt van standaardmedia, hoeft u de sensoren niet aan te passen.

  • Positie/sensor afdrukken
    • Aanpassen referentiepunt voor afdrukken

      De positie van het referentiepunt bijstellen (het nulpunt bij het afdrukken). Hiermee kunt u uitlijnfouten tijdens het afdrukken corrigeren, die het gevolg zijn van verschillen tussen apparaatmodellen of vaste marges in bepaalde software.

      Het referentiepunt kan niet worden aangepast voor afdrukken op rasters.

    • Afscheuren aanpassen
      • De positie van de afscheurbalk voor papiermedia instellen.
        OPMERKING
        Afhankelijk van het type media dat u gebruikt, kan het voorkomen dat de afsnijpositie en de marges niet overeenkomen met uw instellingen. Als dat het geval is, past u de instelling Aanpassing voor afscheuren aan en probeert u het opnieuw.
      • Als de Afpelfunctie gebruiken of de functie automatische snijeenheid in het apparaatstuurprogramma wordt ingeschakeld en de afgepelde labels vastzitten of niet juist worden uitgeworpen na het afdrukken, past u de instelling Aanpassing voor afscheuren aan en probeert u het opnieuw.

  • Mediasensor (transmissie/opening)
    • Detectiegevoeligheid

      De gevoeligheid instellen voor het detecteren van openingen (ruimte) in gestanste labels.

    • Aanpassing luminescentie

      De hoeveelheid licht aanpassen die wordt uitgestraald door de sensor transmissie/opening.

  • Mediasensor (reflectief/balk)
    • Detectiegevoeligheid markeren

      De gevoeligheid bepalen voor het detecteren van zwarte markeringen.

    • Aanpassing luminescentie

      De hoeveelheid licht aanpassen die wordt uitgestraald door de sensor reflectieve/zwarte markering.

  • Mediasensor (afpeller)

    De instellingen opgeven voor wanneer de labelverwijderaar (optioneel) wordt gebruikt.

    • Detectiegevoeligheid

      De precisie aanpassen waarmee de sensor detecteert of het label is afgepeld.

  • Media kalibreren
    • Mediakalibratie stickervelbreedte

      Stelt de kalibratiewaarde voor de uitlijningsbreedte in (maximaal 255).

Tabblad Weergave-instellingen

  • Basis
    • Taal

      De taal opgeven voor het LCD-scherm van de printer.

    • Achtergrondverlichting

      De achtergrondverlichting in- of uitschakelen.

    • Achtergrondverlichting time-out

      Geeft de duur van inactiviteit op voordat de achtergrondverlichting van het apparaat wordt uitgeschakeld.

    • Eenheden

      Het standaardapparaat weergeven.

    • Helderheid display

      De helderheid van het weergavescherm instellen.

    • LCD-contrast

      Het contrast van het LCD-scherm instellen.

  • Sjablooninstellingen
    • Startscherm instellingen

      Geef aan of het apparaat kan worden gebruikt in de P-touch Template-modus.

      Met de P-touch Template-modus kunt u vooraf geconfigureerde sjablonen gebruiken om labels af te drukken. U hoeft alleen de tekst in te voeren.

    • Sjabloon touchscreeninstellingen

      Het weergaveformaat voor het scherm sjabloon-touch-modus instellen.

    • Zoektype

      De zoekmethode instellen voor het zoeken naar een specifiek sjabloon uit de sjablonenlijst.

    • Vooringestelde sjablonen weergeven

      De preset-sjablonen al dan niet weergeven op het apparaat.

    • Afdrukken bevestigen

      Geef aan of er een melding moet worden weergegeven voordat het afdrukken wordt gestart, zodat het aantal afdrukken kan worden gecontroleerd.

  • Datum en tijd
    • Datumnotatie

      Selecteer de datumnotatie voor de klok.

    • Tijdnotatie

      Selecteer de tijdnotatie voor de klok.

    • Klok

      De klokfunctie instellen.

    • Klok instellen

      De datum en tijd instellen.

    • Synchroniseren met de SNTP-server

      De tijd synchroniseren met de SNTP-server.

    • Tijdzone

      De tijdzone instellen.

  • QR-code aangepast
    • QR-codegegevens

      Standaard QR-codegegevens aanmaken op basis van de vereiste tekst of webpagina en deze op het LCD-scherm van het apparaat weergeven. De weergegeven QR-code kan ter informatie met een mobiel apparaat worden gelezen.

Was deze pagina behulpzaam?